U bent hier: Home / Onderzoek / thema / Klimaat en duurzame ontwikkeling / p / projecten / Impact van de circulaire economie in Vlaanderen op de sociale economie en de tewerkstelling van kansengroepen

Impact van de circulaire economie in Vlaanderen op de sociale economie en de tewerkstelling van kansengroepen

Dit document is het eindrapport van de studie die de impact van de circulaire economie in Vlaanderen op de sociale economie en de tewerkstelling van kansengroepen onderzocht. Deze studie werd uitgevoerd in opdracht van het Departement Werk en Sociale Economie van de Vlaamse Overheid. Om de impact van de circulaire economie op de sociale economie te kunnen voorspellen deelden we het onderzoek op in vier delen. In het eerste deel formuleerden we algemene trends in de circulaire economie, in het tweede deel gingen we dieper in op de impact op de werkgelegenheid in het reguliere arbeidscircuit, en in het derde deel analyseerden we de mogelijke impact op kansengroepen en de sociale inschakelingseconomie. Ten slotte formuleerden we een algemene conclusie in het vierde deel. Verder deden we beroep op een combinatie van drie verschillende onderzoeksmethoden, zijnde literatuuronderzoek, een kwalitatieve benadering met interviews en workshops, en een kwantitatieve benadering bestaande uit data-analyse. In het eerste deel formuleerden we het concept ‘circulaire economie’ (CE) en identificeerden we als belangrijkste toekomstige trends (tot 2030) een toename in de levensduur van producten, een toenemend belang van circulair design, een stijging van het belang van het lokale niveau in de economie, meer circulair ondernemerschap, de verdere opmars van technologie en automatisering en het ontstaan van nichemarkten. Om de voornaamste algemene tewerkstellingstrends te identificeren deden we een beroep op literatuur. Deze gaf, op basis van verschillende bronnen, aan dat algemeen gezien een netto toename in jobs verwacht wordt. Ook werd gesteld dat de circulaire arbeidsmarkt kansen biedt voor alle niveaus van scholingsgraad (i.e. laag-, middelhoog, hooggeschoold) en verschillende geografische niveaus (lokaal, regionaal, wereldwijd). En hoewel bepaalde bestaande beroepen wellicht verloren zullen gaan, zullen ook nieuwe beroepen gecreëerd worden, en zullen er wijzigingen optreden op het niveau van de taken binnen een bepaalde job, waarbij sommige taken door anderen vervangen zullen worden. Na een idee gevormd te hebben over algemene trends gebruikten we historische data op sectorniveau (NACE-codes) om specifiek voor Vlaanderen trends te kunnen afleiden. Uit die analyse bleek dat de werkgelegenheid in de CE sneller stijgt dan het Vlaamse gemiddelde, en dat de tewerkstelling in deze sector voornamelijk bestaat uit laag- en middengeschoolde werknemers. Dit betekent dat de CE een belangrijke groeisector is met significante tewerkstellingskansen voor deze groepen. Vervolgens schatten we het toekomstige jobpotentieel van de CE in door middel van interregionale input-outputtabellen, opgesteld door het Belgische Federaal Planbureau. Door de methodologie van eerdere studies te toe te passen op meer recente data konden we berekenen dat er tegen 2030 potentieel meer dan 30.000 jobs gecreëerd kunnen worden in de CE in Vlaanderen. Ook keken we in detail naar de werkgelegenheidsmultiplicatoren die gebaseerd zijn op de interregionale input-outputtabel en aangeven hoe een stijging in de finale vraag binnen een sector jobs creëert, zowel in de eigen sector als in andere sectoren. Vooral de sectoren van reparatie (NACE_C en NACE_S), inzameling en verwerking en verwijdering van afval (NACE_E), restauratie van gebouwen (NACE_F), detailhandel van tweedehandsgoederen (NACE_G), en verhuur en lease van consumentenartikelen (NACE_N) zijn verantwoordelijk voor jobcreatie door stijging van de vraag in deze sectoren. Bij het naast elkaar leggen van beide resultaten van de input-outputbenaderingen bleek trouwens dat er een overlap was wat betreft grootste potentieel voor jobcreatie, met name in de sectoren van reparatie van machines (NACE_C - 33.1), verhuur en lease (NACE_N - 77.2), en reparatie (NACE_S - 95.1 en 95.2). Na dit algemene beeld van tewerkstelling in de CE gevormd te hebben, werd in het derde deel van de studie gekeken naar het samenspel tussen de sociale inschakelingseconomie (SIE) en de CE en binnen dit raakvlak ook samenwerkingen met de reguliere economie (RE). Uit de literatuur bleek dat de SIE algemeen meetelt voor 1,1% van het totale aantal werkenden in Vlaanderen en dat het percentage mannen binnen de SIE hoger ligt (60%) dan het aandeel mannen in de totale Vlaamse werkende bevolking (54%). Ook in de CE ligt het aandeel mannen beduidend hoger (85%). Verder heeft acht op tien doelgroepwerknemers (DGW) geen diploma hoger secundair onderwijs behaald en is meer dan een kwart van de DGW van buitenlandse herkomst. Hoewel we geen data hebben voor buitenlandse herkomst van de werknemers in de CE gaf de data wel aan dat rond de 25% van de werknemers een diploma lager onderwijs heeft en ongeveer 55% een diploma secundair onderwijs. Er bestaat dus een zekere overlap tussen de SIE en het reguliere circuit van de CE, toch wat scholingsgraad en geslacht betreft. De SIE telt, in tegenstelling tot de CE en het Vlaamse totaal, bijna geen kleine bedrijven. De grootste concentratie van SIE-ondernemingen terug te vinden zijn in de arrondissementen Antwerpen, Hasselt, Gent, Leuven, Turnhout, Halle-Vilvoorde en Kortrijk. In de laatste fase van het onderzoek gingen we, op basis van interviews met experts SIE en CE, dieper in op het raakvlak van de SIE met de CE en daarbinnen ook het raakvlak met de RE. We noemden dit raakvlak de ‘betekeniseconomie’. Op basis van de eerder gedefinieerde algemene CE-trends werden kansen en opportuniteiten voor de betekeniseconomie benoemd. De kansen liggen bij activiteiten in het kader van ambachtelijke, manuele en repetitieve arbeidsprocessen die een schakel vormen in het logistieke proces van het sluiten van kringlopen, zoals het inzamelen, sorteren en verwerken (repareren) van goederenstromen. Ook de deel- en diensteneconomie bieden kansen voor tewerkstelling. Als bedreigingen werden de financieel-economische rendabiliteit van CE-processen, de benodigde competenties van de doelgroepwerknemers, nadelen verbonden aan deelplatformen, en het ontbreken van visie op de sociale component van de CE genoemd. We vormden ook een beeld van mogelijke vormen van samenwerking op basis van bestaande voorbeelden en formuleerden aanbevelingen om de samenwerking te bevorderen. Deze bestaan uit de nood aan sensibilisering, het belang van communicatie, ondersteuning door het beleid en de rol van lokale besturen, het aanmoedigen van circulaire gemengde aanbestedingen en het delen van goede voorbeelden. Ook werd de samenwerking met de reguliere economie in eerste instantie gezien als een samenwerking met kleinere bedrijven waar sociaal engagement aanwezig is. Aangezien meer dan 75% van de circulaire bedrijven in onze analyse veeleer kleine bedrijven zijn bestaat er zeker een groot potentieel voor samenwerking (mits het sociaal engagement aanwezig is in deze reguliere bedrijven). Wel kunnen er vraagtekens gesteld worden bij de mogelijkheid van deze (kleine) bedrijven om binnen hun bedrijf DGW te werk stellen, omwille van de omkadering en begeleiding die zulke tewerkstelling vereist. Verder zochten we, op basis van bestaande literatuur, op wat de doorstroom van DGW van het sociale naar het reguliere circuit beïnvloedt en welke factoren het succes van de samenwerking tussen beide circuits bepalen. Als slot formuleerden we een aantal beleidsaanbevelingen uit de interviews en de literatuur die betrekking hebben op zowel de SIE als de CE. De rol van de SIE in de CE en in samenwerkingen met het reguliere circuit binnen de CE zou vergroot kunnen worden door fiscale instrumenten zo te hervormen dat de volgorde op de circulaire ladder meer gevolgd wordt, en door campagnes te voeren en opleidingen te organiseren om de SIE meer bekend te maken in het reguliere circuit. Lokale besturen, ten laatste, kunnen een rol spelen bij de verdere ontwikkeling en stimulering van potentiële samenwerkingen tussen de SIE en de CE. In het algemeen kunnen we besluiten dat de transitie naar een meer CE in Vlaanderen eerder een kans dan een bedreiging vormt voor de SIE. Veel CE-activiteiten lenen zich goed voor DGW, zoals sorteren, onderhoud, reparatie en mogelijks ook refurbishment. Veel zal echter afhangen van de sociale economie zelf: de bedrijven zullen moeten innoveren en inspelen op strategische trends om ervoor te zorgen dat ze een plaats verwerven in de CE van de toekomst. Daarnaast kan ook de overheid, zowel de lokale als de gewestelijke, zeker een rol spelen om de match tussen SIE en RE inzake CE te bevorderen.

 

Kris Bachus en Gwen Willeghems, december 2018

 

Download hier de 2-page samenvatting

Download hier het volledige eindrapport

 

In dit onderzoek, dat een samenwerking is tussen het Steunpunt Circulaire Economie en een opdracht van het departement Werk en Sociale Economie van de Vlaamse overheid, gaan we na welke impact de transitie naar een circulaire economie in Vlaanderen zal hebben op de werkgelegenheid.

Het onderzoek bestaat uit vier delen. In het eerste deel formuleerden we de belangrijkste trends in de transitie naar een circulaire economie in Vlaanderen tegen 2030, zoals een langere levensduur van producten en meer circulair design. 

In het tweede deel berekenden we via input-outputanalyse dat de transitie naar een circulaire economie in Vlaanderen netto 30.000 bijkomende jobs kan opleveren, vooral voor sectoren die verband houden met reparatie, afvalverwerking en hergebruik. 

In het derde deel vonden we dat de circulaire economie kansen biedt voor laaggeschoolde mannen, een profiel dat elders op de arbeidsmarkt als kwetsbaar wordt beschouwd. 

In het vierde en laatste deel focusten we op de mogelijke samenwerking tussen de sociale economie en de circulaire economie. We identificeerden kansen tot samenwerking tussen kleine circulaire bedrijven en (veelal grote) bedrijven uit de sociale economie. 

 

In het algemeen kunnen we besluiten dat de transitie naar een circulaire economie in Vlaanderen eerder een kans dan een bedreiging vormt voor de sociale economie. Veel circulaire activiteiten lenen zich goed voor doelgroepwerknemers, zoals sorteren, onderhoud, reparatie en mogelijk ook refurbishment.